Al zo lang ik me kan herinneren, heb ik kinderen gewild. Liefst van al een huis vol. De echtgenoot en ik kregen er twee. De echtgenoot besloot dat dit een mooi getal was. Mijn teller kon gerust nog wat doordraaien. En toch.

Mijn pre-mama zijn typeerde zich in uitgaan tot de volgende ochtend en slapen tot de volgende avond. In ongeplande en spontane uitstapjes, reisjes en dates; in winkelen wanneer ik daar zin in had; in koken wanneer ik honger had. In een weekend helemaal niets doen en toegegeven, ik geloof dat ik me weleens steendood verveelde.

Toen kwamen de zoon en de dochter mijn leven in. Hoeveel ik hen ook verwachtte, net zoveel aandacht vroegen ze. Het ene jaar voor hun vol gepoepte luier, hun snot dat langs hun oren (letterlijk) komt en hun gehuil ’s nachts. In een tijd dat ik dacht dat chronisch slaaptekort een erkende ziekte moest worden, overleefde ik op de één of andere manier. Op een dag veranderde de luiertafel in een bureau en moesten ze vooral erg veel studeren. Mijn slapeloze nachten werden niet meer veroorzaakt door hongerig gehuil, maar door rampscenario’s die in mijn hoofd een eigen leven gingen leiden. De “mamaaaaaaaa, ik heb kaka gedaaaaaaaaaaaaan”, maakten plaats voor “mamaaaaaaaaaaaaa, ik wil nieuwe schoeeeeeeeeeeenen”. Ze kregen wat ze nodig hadden en nog zoveel meer. Ze zijn vooral erg duur in onderhoud. Ze zijn soms te luid, soms te stil en alles daar tussen in. Een reisje is niet meer zo vanzelfsprekend, zelfs een weekendje weg moet gepland worden tussen al hun studeersessies en hobby’s door. De 14 weken vakantie op een jaar moet volgepropt worden met kampen, opvangmogelijkheden en niet-verveel-activiteiten. Alsof dat nog niet genoeg is, moeten ze in al die andere weken huiswerk maken.

Tussen al dat geschipper door, verloor ik soms mezelf. En de echtgenoot. De een riep en de andere luisterde niet. Het spontane maakte plaats voor organisatie en agenda’s met veel typix. Het zeldzame kinderloos weekend dat de echtgenoot en ik soms maken is net gevuld met kinderen. Want uiteindelijk laat je ze nooit los. Ik mag er niet aan denken dat ik ze ooit moet loslaten. Want hoeveel energie mijn kinderen ook van me vragen, ze zijn mijn wereld, mijn alles. Ze maken me zoveel rijker. En ondertussen hoop ik stiekem op een huis vol kleinkinderen.