Een aantal jaar geleden deed ik een job die ik geen 6 maand volhield. Ik bezocht pasgeboren baby’s en hun kersverse ouders. In het overgrote deel genoot ik mee van het geboortegeluk. In het andere deel brak mijn hart. Hoe ik mij in hun beginnersgeluk kwam moeien hoe het wel en niet moest. Heel vaak wilde ik de mama en papa wakker schudden om hen te vertellen over hun verantwoordelijkheid, hun taak en hun opgave. Over de opoffering, maar ook over de liefde, over dat alles kan en zal goed komen, maar dat laatste zou een loze belofte zijn.

Stromae beschrijft het zo: “Tout le monde sait comment on fait les bébés, mais personne sait comment on fait des papas”. Dit zinnetje was op zoveel situaties die ik zag, van toepassing. Veel te jonge mensen die meer miserie hebben gezien dan goed voor hen is en wanhopig proberen het veel beter te doen. Tot ze beseffen dat de baby’s die ze maakten, nog zwaarder zijn dan het leven dat ze leidden. Over ouders die vreemde keuzes maken omdat ze alleen zo’n keuzes kennen. Keuzes die eigenlijk geen keuze is. Over ouders die proberen het helemaal anders te doen, maar hun pogingen hen zo moe maken dat ze de verkeerde weg opgaan. Een weg waarop baby’s beginnen kruipen en lopen, moet effen zijn, niet verbrokkeld. Hoe wij – als professional – dénken dat we het beter kennen en ze ons daarom nog meer haten. Over mijn frustratie dat kinderen niet kiezen om geboren te worden waar ze niet gewenst zijn. Om kinderen die van dag 1 al moeten vechten en vechten vaak het enige is wat ze kunnen. Letterlijk en figuurlijk.

Ik zag baby’s die cola dronken op een leeftijd waarop ze net leren kruipen, baby’s die sliepen in iets dat er slechter uitzag dan de mand van de hond. Ik rook baby’s die niet roken naar baby’s, maar naar sigaretten. Die baby’s waren de fragielste die ik ooit zag. Het lafste wat ik op dat moment kon doen, was van job veranderen. Want dan zag ik het niet meer, maar ik weet wel nog dat ze er zijn. De gevels met daarachter de mand van de hond die mooier is dan de wieg.