Momenteel loopt er op het werk een groot project waarbij de manier van werken voor iedereen aangepast wordt. Ik ben de boosdoener. Of toch voor sommigen. Ik leid het project en heb het mee ontworpen. Ik ben er trots op zie het een beetje als mijn kindje. Het heeft me geen bloed, maar wel zweet en tranen gekost. Maar het mag er wezen, mijn kindje. Het ziet er mooi uit, is meestal lief en doet hopelijk steeds wat je vraagt.

Mijn projectje heeft zijn invloed op iedereen binnen onze organisatie. De verantwoordelijkheid lag in mijn handen, in mijn hoofd en schoot. Het heeft me slapeloze nachten gekost maar ik geloof er rotsvast in. Het komt goed.

Helaas heb ik niet iedereen mee in het ‘komt goed verhaal’. Er zijn bezorgdheden, begrijpelijk. Er zijn slapeloze nachten van hun kant. Er zijn stappenplannen, frustratie handleidingen en helpdesken. Er zijn info avonden om de frustraties weg te nemen en het enthousiasme aan te sterken. Er zijn heel veel info avonden met veel vragen. Iedereen heeft en geeft zijn mening. Gelijk hebben ze. Ik heb altijd een antwoord klaar. Een ondersteunend en empathisch antwoord. Of dat probeer ik toch want stiekem wil ik alleen maar leuk gevonden worden. Ik wil iedereen mee in mijn enthousiasme. Maar ik werk hier dan ook al maanden aan en is zie het er het nut van in. Zij nog niet meteen. En dat begrijp ik. Maar het is mijn kindje. Dat kind waarover liefst niemand vragen stelt. Waarover liefst niemand commentaar op heeft en niet berispt. Want het doet zijn best, mijn kind.