Een tijdje geleden zei mijn vader me: “je hebt veel talenten, maar zingen is er alleszins geen van”. Over het tweede deel van de zin had hij gelijk. Over het eerste, viel nog te discussiëren. Al van kinds af, voelde ik de drang om uit te blinken in iets en nu… 37 jaar later, heb ik mijn uitmuntend talent nog altijd niet gevonden.

Ik beleefde een meisjesdroom gedurende 9 jaar in een roze tutu op woensdagnamiddag. Ik heb het altijd graag gedaan en dacht ooit op een podium te staan met kapotte tenen omdat ik té goed was en niet van ophouden zou weten. Ik heb opgehouden mét hele tenen want mijn ballet ambitie bleek beperkt tot het na-apen van mijn mede leerlingen én van het niet onderhouden van de oefeningen die de roze tutu juf ons zo in hamerde. Die roze tutu heb ik nog steeds en als ik heel hard trek, kan ik er nog in. Maar een fraai zicht is het niet.

Een tijdje daarna ruilde ik de balletschoenen voor de tekenborstels en hoewel de juf (maar vooral mijn mama) me erg creatief vonden, was ik vooral erg bang voor haar uitvliegend karakter en rond spattende verf kladders. Ik begreep niets van abstract tekenen en bij een portret was een neus vaak groter dan hij bedoeld was. Opnieuw geen fraai zicht.

Mijn ouders stuurden me toen naar de muziekschool net als 99% van mijn klasgenoten. De school liep gewoon verder tijdens de muziekles. Een juf die nog meer beangstigend was en wellicht in haar vrije tijd cipier was. Die piano speelde alsof ze Mozart op speed was. De hele tijd heb ik nooit begrepen hoe een sol, la of re ook klinkt. Bij een piano dictee heb ik vooral mijn spiek skills ontwikkeld en geloof het of niet, ik ben tot in het 3e jaar geraakt. Wellicht heeft mijn vader toen de zin al bedacht “zingen is haar kwaliteit niet”. Mijn rapport sprak boekdelen. Geen fraai zicht. Tussen al die solsleutels.

Paardrijden heb ik ook nog gedaan. Een hele vakantie lang – of dat was de bedoeling. Wist ik toen veel dat de drafbewegingen me zee-ziek maakten. Mijn ontbijt lag naast zijn stro. Geen fraai zicht. Ik verzeker het u.

Zo heb ik op toen én nu veel geprobeerd: fotografie, photoshop, reizen, websites maken, bloggen, handletteren, tekenen, naaien, joggen… Niets leek me op het lijf geschreven. Dat stimuleert je volharding niet. Dan probeerde ik maar goede echtgenoot en moeder te zijn. Volgens de echtgenoot en kinderen kan het beter. Ik moet ze (af en toe) gelijk geven.

Ik troost me vaak met het gedachte: ik ben goed in wat ik doe van nine-to-five. Ik probeer een loyale, eerlijke en gemotiveerde werknemer en collega te zijn en meestal lukt me dit wel. Ik ben zelden ziek, ben altijd content dat ik mag gaan werken en haal er veel voldoening uit. Toch voel ik de drang dat ik ook hier meer kan doen en loop vaak met mijn hoofd tegen de muur. Pijn doet het niet, maar het is geen fraai zicht.

Misschien moet ik van ‘loslaten’ een hobby maken. Loslaten dat ik in iets moet uitblinken.