Hoeveel keer heb je het ook al niet gehoord ‘kleine kinderen: kleine zorgen; grote kinderen: grote zorgen’? Met het nodige ooggerol dacht ik het mijne ervan. Want mijn (kleine) kinderen waren vaak ziek, met slapeloze nachten als grootste symptoom. Koorts, doktersbezoeken en apotheek abonnementen als gevolg. En na een weekje herstel begon het allemaal opnieuw. Ik heb gevloekt in de wachtzaal. Ik heb gehuild bij koorts die niet over ging en bij emmers kots. Zieke kinderen horen niet in de kleuterklas. Dus bleef de zoon vaak thuis. Heel vaak. Er moest thuiswacht geregeld worden, van het werk naar school gekomen worden en opnieuw kots gekuist worden. Door zijn afwezigheid in school was het soms moeilijk voor hem om ‘mee’ te zijn met het verhaal dat toen speelde. De ene week ging het immers over de herfst en voor je het wist, ging het over de zomer. Hoe kan een kind de seizoenen op die manier ooit begrijpen? Dus ik ging me zorgen maken, over die seizoenen. Over het feit dat een vriendschap tussen 3 jarigen moeilijk loopt door zijn halftijdse aanwezigheid. Wist ik toen dat kinderen van 3 eigenlijk nog niet zo vaak samen speelden. Dat waren voor mij al grote zorgen. Ze werden 4, 5 en 6. Dan maakt het kots opruimen plaats voor huiswerk maken. Eindeloos woordjes herhalen en rekensommen maken. Het was een zalige tijd. Maar dat besefte ik toen nog niet. Want veel leuker was met Lego spelen, thuiskomen en niets hoeven te doen. Terug naar die 3 jarige leeftijd dus. Zonder rekensommen en alleen seizoenen te onthouden.

En alsof dat nog niet genoeg was, werden ze nog groter. Ze gingen naar de lagere school. Er werden rekensommen gemaakt die niet meer met vingers te tellen waren. Er was een ingenieur voor nodig, ik zweer het je. Het ging over zelfstandige naamwoorden, voorzetsels en hier en daar Frans. Punten op het rapport maakten plaats voor ‘bevindingen’ van de juf. De bevindingen waren altijd goed. Altijd. Het zijn nu eenmaal schatjes, mijn kinderen. Pfff, wat bedoelden ze daar met ‘grote kinderen, grote problemen’. Ik had hier eigenhandig het cliché aangepast.

Maar dan. Dan gingen ze zowaar naar het middelbaar. Apejaren, ik moest me scherp stellen, werd me verteld. Ik heb apejaren meegemaakt, toen ikzelf puber was. Niet van mezelf maar van mijn mede huisgenoten en het was geen leuke periode. Dus ik hield me scherp en was voorbereid. Toch kwam iets anders. Het was een periode van toe kijken en je heel machteloos voelen. Hoe school je kind kan breken. Hoe punten opnieuw verschijnen op het rapport. Hoe punten alles bepalen en niet meer naar inzet gekeken wordt. Hoe je eigenlijk zelf op de schoolbanken wil gaan zitten als je het daarmee lichter kan maken. Hoe je zelf de 45 bladzijden wil studeren tegen de dag erop. Samen met de 3 taken die nog gemaakt moeten worden.

Het is een harde wereld voor de apejaren-kinderen. Ze moeten zoveel. Laat ze nog even kind zijn. Laat ze apegedrag stellen en zeg hen gewoon dat het goed komt. Laat ze vrienden maken en laat ze vrienden blijven. Laat alle politieke discussies aan mensen die er verstand van hebben en laat niet een kind van 15 dat probleem op tafel leggen. Neem je verantwoordelijkheid zoals je dat van die kinderen verwacht. Blijf van mijn kinderen af. Met je punten die nooit genoeg zijn. Want ik zweer het je: hier waak ik.